Chronische Lymfatische Leukemie › Treant Zorggroep

Chronische Lymfatische Leukemie

Chronisch lymfatische leukemie is in de westerse wereld de meest voorkomende kwaadaardige aandoening van het bloed.

Leukemie betekent dat er grote aantallen kwaadaardige witte bloedcellen (leukocyten) in het bloed aanwezig zijn. In het geval van chronisch lymfatische leukemie (afgekort: CLL) stammen ze af van rijpe B-lymfocyten. De kwaadaardige cellen hopen zich ook op in beenmerg, lymfklieren, lever en milt.  De oorzaak van CLL is onbekend. CLL heeft meestal een rustig verloop en slechts een deel van de patiënten heeft behandeling nodig.

Verschijnselen
Chronisch lymfatische leukemie wordt vaak bij toeval ontdekt bij bloedonderzoek, omdat de witte bloedcellen, en dan vooral de lymfocyten, verhoogd zijn. De ziekte kan vele jaren aanwezig zijn zonder klachten. Al vroeg in de ziekte is de productie van antistoffen (immuunglobulines) verlaagd, wat leidt tot een verhoogde vatbaarheid voor infecties. Bij toename van de ziekte ontstaan door ophoping van lymfocyten klachten zoals (niet-pijnlijke) zwellingen van lymfeklieren in hals, oksel, liezen en/of in de borst- en buikholte. Zwelling van de milt kan een zwaar gevoel in de bovenbuik veroorzaken

Afwijkende lymfocyten nemen steeds meer ruimte in het beenmerg in, waardoor de normale aanmaak van de overige bloedcellen vermindert. Rode bloedcellen, bloedplaatjes en witte bloedcellen komen in het gedrang. Dit geeft verschillende klachten:

  • Als u te weinig rode bloedcellen heeft, krijgt u bloedarmoede.
  • Bloedplaatjes zijn nodig voor de primaire bloedstolling; een tekort kan snel blauwe plekken veroorzaken of neusbloedingen.
  • Door daling van de witte bloedcellen neemt de vatbaarheid voor infecties verder toe.
  • Afvallen en koorts (zonder aantoonbare infectie) en nachtzweten komen in latere fases van de ziekte ook voor. Een zeldzame ontwikkeling kan de afbraak van eigen rode bloedcellen of bloedplaatjes zijn door fouten in de afweer.

Hoe wordt CLL aangetoond?

De diagnose CLL wordt gesteld door bloedonderzoek. Meestal is het een makkelijke diagnose, omdat de CLL-cellen voor een laboratoriumanalist goed te herkennen zijn. Er zijn echter ziektebeelden die op CLL kunnen lijken. Daarom is het belangrijk dat de bloedcellen goed onderzocht worden met aanvullende technieken.

Wanneer met bloedonderzoek de diagnose CLL is gesteld, wordt allereerst  met aanvullend onderzoek geprobeerd uit te zoeken welk type CLL het betreft: de goede of minder goede subgroep. Vaak wordt ook een beenmergonderzoek gedaan om vast te leggen hoe uitgebreid de ziekte in het beenmerg aanwezig is. In dat geval zal mogelijk ook cytogenetisch (chromosomen) onderzoek verricht worden om vast te stellen welke specifieke afwijkingen er in de kernen (de chromosomen) van de CLL aanwezig zijn. Tot slot wordt met een echo van de buik of een CT-scan vastgelegd of er lymfkliervergroting en miltvergroting is opgetreden.